Spring naar content

Foto: Dirk Jurriaan Sluyter (CC)

Bibliografie

Op 's levens tweesprong. Woorden van raadgeving en bestuur aan jongelieden, bij hunne intrede in de waereld () Gedichten (1836) Bladeren en bloemen (1839) Nieuwe rozen (1839) Rozen (1839) Welkomstzang aan Hare Konkinklijke Hoogheid, de Erfprincesse van Oranje, geboren Vorstin van Wurtemberg bij Hare intrede in 's Gravenhage (1839) Ahasversus op den Grimsel (1841) Zangen des tijds (1841) Legenden en Mengelpoëzy (1846) De kinderen van den dronkaart (1848) Bemint elkander (1849) De Durgerdamsche visschers (1849) Nieuwe dichtbloemen (1849) Het nachtegaaltje (1851) Leerreden (1851) Christus remunerator (1852) De nachtegaal en het lijstertje (1854) Tasso's Jeruzalem verlost (1854) Bragiaantjes en ander klein goed (1859) Bijbelsch prentenboek voor de jeugd met dichterlijke bijschriften (1860) Wij zullen elkander wederzien (1862) De schepping (1866) Stichtelijk huisboek (1866) Schemeravondstonden (1867) De planeeten (1869) Aan Parijs. Zang des tijds (1871) De jaargetijden (1871) La Fontaine's Fabelen (1871) De dichtwerken (1872) De psalmen (1872) Eunoé (1875) Miltons Paradijs verloren (1875) Dante's Hel (1877) Goethe's Faust, eerste gedeelte (1879) Nieuwe gedichten (1881) Victor Hugo's Lyrische poëzy (1881) Voor huis en hart (1882) Voor hart en leven (1883) Palmbladen en dichtbloemen (1884) De Nieuwe Kerk van Amsterdam (1885) Gedichten (1890-1891) Lente-leven (1909) Vinger Gods, wat zijt gij groot (1978) De kinderen van den dronkaart (1983)


Links


35. J.J.L. ten Kate

1819-1889

Jan Jacob Lodewijk ten Kate (Den Haag, 1819 – Amsterdam, 1889) was dichter en dominee. Hij debuteerde in 1836 met de dichtbundel ‘Gedichten’.

Jan Jacob Lodewijk ten Kate (Den Haag, 1819 – Amsterdam, 1889) was dichter en dominee. Hij trouwde in 1845 met Sophia Waldorp, dochter van schilder Anthonie Waldorp. Hun zoon was kunstschilder Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1850-1929).Ten Kate maakte al jong naam als reciteur van poëzie, die van hemzelf en van anderen. In 1836 debuteerde hij met de dichtbundel ‘Gedichten’. Tijdens zijn studie theologie in Utrecht verschenen de dichtbundels ‘Bladeren en bloemen’ (1838), ‘Rozen’ (1839), ‘Nieuwe Rozen’ (1839) en ‘Zangen des tijds’ (1841). Samen met A. Winkler Prins, die hoofdredacteur zou worden van de later naar hem genoemde Winkler Prins encyclopedie, richtte hij in 1842 het satirische rijmtijdschrift ‘Braga’ op. Hiervan verschenen twee jaargangen. In 1845 werd hij predikant in Marken, later in Middelburg en vanaf 1860 in Amsterdam.

In 1866 verscheen Ten Kates meest bekende gedicht ‘De Schepping’. Hierin doet hij een poging om moderne wetenschappelijke inzichten te verzoenen met het Bijbelverhaal. Ten Kate had een vlotte beheersing van taal en kon gemakkelijk rijmen en vertaalde daarom ook veel buitenlandse poëzie naar het Nederlands, zoals Miltons ‘Paradise Lost’ (1875), Dantes ‘Inferno’ (1877) en Goethes ‘Faust’ (1879).

Latere generaties rekenden Ten Kate enigszins schertsend tot de “Dominee-dichters”. Frederik van Eeden hekelde hem onder het pseudoniem Cornelis Paradijs in een spotdicht.

 

Fragment uit Eerste tafereel uit ‘De schepping’ (1866)

Gegroet, gij eenzaamheid van Midians woestijnen!
Gij oceaan van steen, wiens rotsen golven schijnen,
Te midden van heur vaart bevroren! Labyrinth
Van klippen, eeuw aan eeuw gegeesseld door den wind,
Geschud door ’t onweêr, zwart door ’t keerkringszonnebranden,
Maar steigrende, ongedeerd, met uw gekloofde wanden
En ruwe spitsen naar de hemelen! – Gegroet
Vooral, gij Horeb! met twee zeën aan uw voet,
Twee bergen op uw kruin, rondblikkende in de dalen,
Die door ’t Schiereiland van u uitgaan, als de stralen
Van ’t brandpunt. Driemaal heil, gij Sinaï! wel niet
De hoogste top, maar toch de ontzachlijkste. Gij biedt
Geen vergezichten die verteederen en streelen,
Geen beek of waterval, geen weide- en woudtooneelen:
Slechts graauw, steil, dor graniet, waaruit geen druppel leekt,
En waar de storm-alleen somtijds een stilte breekt,
Zoo plechtig, of God-zelf de wildernis doorwaarde!
De God des Hemels mint de bergen dezer Aarde,aant.
En wijdde hen van ouds, als beider verste grens,
Tot heilige outers, waar Hij neêrdaalt tot den Mensch,
Die tot Hem opklimt. – Gij, zijt ge een der Hoogaltaren?
En huivert u misschien een voorgevoel door de aâren,
Dat u Jehovah tot Zijn troonstoel heeft gezet,
Waar, onder donderen en bliksemen, Zijn wet
Verkondigd worde aan ’t Volk, uit àll